
Bart Vollmuller, Driestar Onderwijsadvies (l)
Martin de Goffau, Topicus (r).
Een normering heeft alleen waarde als je ook een norm hebt. Je moet ergens mee kunnen vergelijken. Dat kunnen scholen nu. Door leerlingen te vergelijken met leeftijdgenoten krijgt u er goed zicht op waar de leerlingen in uw groep staan.

Dit betekent dat een gemiddelde groep dus een heel gekleurd overzicht heeft: alle kleuren komen evenveel voor. Zie de afbeelding voor een groepsoverzicht van zo’n gemiddelde groep.
|
Mogelijk was u meer groene en blauwe overzichten gewend? Een heel gekleurde groep hoeft niet direct te betekenen dat er zorgen zijn! Er wordt nu meer gedifferentieerd, dan voorheen. Het begrijpen van de uitslag blijft belangrijk. De sociale vaardigheden zijn in beeld gebracht en in verband gebracht met een normgroep. We willen versterken dat u niet denkt in problemen, maar in zorgbehoeften en mogelijkheden. |
![]() |
We zijn van mening dat leerlingen die tot de laagste 25% functionerende leerlingen horen (rood), hoogstwaarschijnlijk een zorgbehoefte hebben. Leerlingen die benedengemiddeld scoren (oranje), kunnen mogelijk wat extra ondersteuning gebruiken. Bij hen is het de uitdaging (voor de leerkracht) om de leerling te ‘begrijpen’ en een inschatting te maken of je basisaanpak voldoende is. U kunt op de doorvraagbladen aangeven ‘niet van toepassing’. Er komen dan geen indicatie-uitspraken voor Welbevinden en/of Betrokkenheid.
Wanneer u gewend was om de knop ‘default’ (veel) te gebruiken (=score 3), dan moet u wellicht wennen aan de nieuwe uitkomsten. Hopelijk helpt het volgende u om ZIEN! goed in te vullen en/of de uitkomsten goed te interpreteren.
De betekenis van score 3 wordt mogelijk niet goed op waarde geschat? De toelichting in het ‘i-tje’ bij score 3 is: “De leerling laat het gedrag geregeld zien, net zo vaak als leeftijdgenoten, maar niet zo vaak als de situatie lastiger wordt of tegenzit.” We raden u aan bij 3 en 4 met name te kijken naar de vetgedrukte woorden. Dan gebruikt u 3 en 4 op de volgende manier:
|
Schaal: |
Dit betekent |
Score |
|
Dit klopt niet |
De leerling laat het gedrag nooit zien. |
1 |
|
Dit klopt een beetje |
De leerling laat het gedrag te weinig zien, veel minder dan leeftijdgenoten en alleen als de situatie uitnodigt tot het gedrag, bijvoorbeeld op aansporing van de leerkracht. |
2 |
|
Dit klopt redelijk |
De leerling laat het gedrag geregeld zien, net zo vaak als leeftijdgenoten, maar niet zo vaak als de situatie lastiger wordt of tegenzit. |
3 |
|
Dit klopt helemaal |
De leerling laat het gedrag vaak zien, vaker dan leeftijdgenoten, namelijk ook als de situatie daar niet direct toe uitnodigt. |
4 |
Welbevinden en Betrokkenheid zijn ‘procesvariabelen’. Dat betekent dat Welbevinden en Betrokkenheid voorwaardelijk zijn om te kunnen ontwikkelen en leren. Als Betrokkenheid en Welbevinden groen of blauw zijn, is de weg vrij om te leren. Dan kan een kind dus (optimaal) van het onderwijsaanbod profiteren. Daarom zegt ZIEN! dat Betrokkenheid en Welbevinden graadmeters zijn.
De 5 sociale vaardigheden zijn, in tegenstelling tot de graadmeters Welbevinden en Betrokkenheid, niet noodzakelijk om van het onderwijs te kunnen profiteren! We gunnen iedere leerling op de vaardigheden scores die minstens oranje zijn.
Indicatie-uitspraken worden getoond als een leerling op meerdere categorieën hoort tot de benedengemiddeld scorende leerlingen (en er dus sprake is van een combinatie van ‘rode/oranje’ blokjes)
Meer informatie, onder andere over het gebruik van niveauwaarden, is te lezen in het nieuwsbericht over de aanpassing van de normen
